Passionistenklooster in Molenhoek

De stichter van de Congregatie van de Passionisten was de heilige Paulus van het Kruis (de Italiaan Paolo Danei die op 3 januari 1694 werd geboren). Naar eigen zeggen zou hij een verschijning hebben gehad van de Heilige Maagd Maria. Gekleed in een zwart habijt zou ze hem hebben opgedragen een gemeenschap te stichten die permanent rouwt om de dood van haar Kind.

Vroeger was de officiële naam van de Passionisten: Congregatie van de Ongeschoeide Clerici van het Allerheiligste Kruis en Lijden van Onze Heer Jezus Christus.

Officiële kloosterkleding Passionisten
Een met leren riem omgorde zwarte habijt met korte losse mantel. Op hun borst prijkt het Passie-embleem: een hart, beplant met kruis en voorzien van het opschrift JESU XPI PASSIO (Jesu Christi Passio), met eronder drie gekruiste spijkers, als herinnering aan de kruisdood van Christus.
Het Latijnse woord ‘passio’ betekent lijden. Daarom worden de leden van de congregatie Passionisten genoemd.

Pater Clemens (Leonard Fleischeur)

In het begin van de twintigste eeuw werd de noodzaak dringend geacht om een klooster in Nederland te gaan stichten. Er kwamen namelijk zoveel Nederlandse jongens naar de opleiding in Kortrijk dat de Belgische provinciaal voorschreef dat minstens de helft van de studenten Belgen moesten zijn. Bovendien: in Nederland kende men vrijstelling van dienstplicht voor priesterstudenten, maar dit telde niet als men in het buitenland studeerde.
Het was de bisschop van Roermond, Mgr Drehmans, die adviseerde Mook als vestigingsplaats te kiezen.

De oudste Nederlandse pater van de congregatie werd uitgezocht om als overste van de nieuwe communiteit op te treden. Dat bleek pater Clemens te zijn die als Leo Fleischeur in Sittard was geboren. Hij moest uit Bulgarije teruggehaald worden voor zijn nieuwe taak.

Begin augustus 1906 arriveerde hij in Mook om het een en ander voor te bereiden en bij de zusters Franciscanessen vond hij een dankbaar onderdak. Zijn allereerste werk was een geschikt terrein te vinden.
De heer Jacobus Kleve, molenaar te Heumen, bezat in Molenhoek een stuk grond dat zich vrijwel ononderbroken uitstrekte van het station tot aan de Rijksweg. De paters Passionisten konden hieruit een keuze maken zowel wat de ligging als de hoeveelheid grond betrof. De Belgische provinciaal kwam zijn keus maken en deze viel op een terrein vlakbij het station.

Er werd een kleine communiteit van Nederlandse Passionisten gevormd, bestaande uit twee paters, drie fraters en één broeder. In afwachting van de nieuwbouw vonden zij een onderdak in het inmiddels aangekochte ‘Rozenoord’, een eenvoudige nabij de Maas gelegen woning.

De eerste dagen na aankomst werden besteed om het huis verder in te richten. Als snel zou blijken wat deze woning, met de romantische naam ‘Rozenoord’, waard was. Bij het aanmaken van de kachel bleek de schoorsteen verstopt te zitten. De kelders, die door het hoge Maasniveau ’s winters onder water kwamen te staan, maakten het huis tot een koelkelder. Het lekkende dak bracht zoveel kou en vocht naar binnen, dat twee van de slaapkamers van de studenten meer leken op een oefenterrein voor ijsheiligen, dan op een slaapplaats voor studenten. Daarom sleepte men iedere avond de strozakken naar de gemeenschapszaal, die vanaf toen diende als refter, recreatie, studie- en slaapzaal.

Op 12 april 1907 diende Leonard Fleischeuer (pater Clemens), overste van de Passionisten, een verzoek in bij de gemeente Mook en Middelaar om op perceel A 241, gelegen aan de weg Heumen – Groesbeek te Molenhoek een klooster te mogen bouwen. Dit klooster zou de bakermat van de Passionisten in Nederland worden.
Onmiddellijk na de verkregen toestemming voor de bouw van een klooster op 19 april 1907 begon pater Xavier, die een zwak had voor bouwkunde, alles te regelen voor de nieuwbouw. Als uitvoerder trad op M. Bulkens, aannemer te Gassel, maar de ‘opperleiding’ berustte bij pater Xavier. Deze wilde de bouw in drie maanden klaar hebben zodat men voor het invallen van de winter het nieuwe klooster zou kunnen betrekken. Dankzij zijn krachtige leiding en door de inzet van de arbeiders zou de bouw flink vlotten zodat inderdaad eind oktober het nieuwe onderkomen bewoonbaar zou zijn.
Omwille van de lieve zuinigheid werd het klooster in Molenhoek aan de Stationsstraat volgens de plannen en tekeningen van het klooster te Wezembeek in België gebouwd zodat de architect kosten in ieder geval uitgespaard konden worden. Toch is er wel een verschil. Het klooster in Molenhoek werd hoger en bovendien in gedeeltes gebouwd.

Eerste steenlegging klooster
Op 4 juli 1907 werd op een half uur afstand van het dorp Mook in de eenzaamheid van de Molenhoekse heide, maar wel in de buurt van een stationnetje en in de ‘schaduw’ van een heus jachtslot, de eerste steen gelegd voor een Nederlands klooster voor de Passionisten. Er werd flink doorgebouwd en op 27 oktober van hetzelfde jaar konden de paters aan de Stationsstraat hun intrek nemen en dat was geen overbodige luxe gezien de woonomstandigheden van de paters in Mook. De Stationsstraat was toen nog maar een smalle zandweg waaraan behalve het station slechts één huis stond.

De paters waren zeer blij met deze plaats in Molenhoek. Later beschreven ze in hun tijdschrift Golgotha deze plek als volgt:
“Deze keus was zeer gelukkig: weinig streken van ons land zijn zoo schilderachtig gelegen en om de boschrijke omgeving zoo gezond als het lieve Mooksche dorpje. De vlakke velden van Noord-Brabant en Gelderland, waartusschen de Maas het zilver harer wateren drijft, bieden de schoonste vergezichten, terwijl van een anderen kant het terrein zeer afwisselend is, rijk aan heuvelen en bosschen. Deze strekken zich uren ver uit en door de gestadige afwisseling van boomsoorten en ligging, blijven zij den wandelaar bekoren, ook als hij er meermalen heeft vertoefd.”

Nadat de 2 ½ ha verwaarloosde grond rond het klooster in 1908 herschapen was in een moestuin en bouwland, werden langs de paden fruitboompjes geplant en verschenen er twee prieeltjes om de kloosterlingen bij zonnig weer enige beschutting te bieden. Zo kwam langzamerhand wat leven in deze overigens zo verlaten streek.

De paters hadden ook een eigen begraafplaats.

Het aantal studenten, de geringe opbrengst van de geldinzamelingen en het feit dat men geen apostolaat kon uitoefenen, maakte het leven van de Passionisten het eerste jaar toch wel erg zorgwekkend. Toen dan ook de studenten bij het beëindigen van hun studie op 17 september naar Wezembeek vertrokken, kon men geen nieuwe fraters over laten komen. De enkele bewoners van Mater Dolorosa leefden in armoede nog een half jaar voort en het werd zelfs zo erg dat pater Clemens naar zijn provinciaal moest schrijven dat hij geen geld en voedsel meer had om zijn kloosterlingen te kunnen onderhouden. In 1909 werd daarom het liefdewerk ‘De Kruispenning’ opgericht.

In 1910 gaf overste pater Clemens, tijdens het eerste kapittel [grote vergadering] van de paters van de onafhankelijke Belgische provincie, waaronder Molenhoek hoorde, aan dat hij de lasten en zorgen niet langer kon dragen. Op zijn eigen verzoek keerde hij hier niet meer terug. De energieke pater Placidus Stevens werd als zijn opvolger gekozen. Hij was een beminnelijke optimist die droomde van het kleine iets groots te maken. Zo iemand was hard nodig.

In de zomervakantie van 1910 konden weer zeven fraters en twee paters naar Molenhoek komen. De nieuwe rector zat vol initiatieven om aan de benarde financiële toestand een einde te maken. Zo kreeg hij in 1912, na veel onderhandelingen en gepraat, toestemming om een tijdschrift uit te geven. Dit werd Golgatha en dit bulletin kreeg vrij snel een zeer goede naam in de Nederlandse katholieke gemeenschap. Zo steeg het aantal abonnees van drieduizend in het begin tot vijfduizend op het eind van het eerste jaar.

De beschikbare ruimte van het klooster werd weldra veel te klein. De kelder diende bijvoorbeeld tot keuken en refter en de kleine gang deed dienst als kapel. Op 7 april 1913 werd daarom de eerste steen gelegd voor een nieuwe vleugel van 32 meter.

Eerste wereldoorlog
Op 4 augustus 1914 viel Duitsland België binnen en werden onze zuiderburen in de Eerste Wereldoorlog meegesleept. Hun neutraliteit hield op te bestaan. Het klooster van de Passionisten in Molenhoek, waar de aangebouwde vleugel van 1913 nog maar net af was, kreeg er plotseling vijftig kloosterlingen bij die uit het zuiden van België hadden moeten vluchten. Midden in de nacht, zonder ook maar iets mee te kunnen nemen, waren ze in Molenhoek aangekomen. Daardoor groeide de kloostergemeenschap in een klap van 25 leden naar 70. In Golgotha lezen we hierover: “Natuurlijk moesten alle potjes en kannekes van ons klooster gemobiliseerd worden, in de eerste dagen vooral bood de tafel een hoogst komiek aanzicht. Maar, dat is ’t minste: à la guerre, comme à la guerre. Het is een wonder, hoe rekbaar een gebouw wordt, wanneer nood en liefde dwingen! Ons klooster, dat in gewone tijden nauwelijks dertig religieuzen kan huisvesten, bevat er thans meer dan tweemaal zooveel. Het is waar, de gang moest tot eetzaal, de spreekkamer tot kapel, de boekerij en de afzonderlijke kamers tot slaapgelegenheden ingericht worden. Maar toch, ieder heeft zijn hoekje!”

Een van die vluchtelingen is Passionist Victor Clarysse. Over hem weten we dankzij de website De vluchteling iets meer. Passionist Victor vlucht kort voor 9 oktober 1914 vanuit het klooster van de Passionisten te Kortrijk naar Nederland. Hier verblijft hij tot begin 1916 in het klooster aan de Stationsstraat. Hij onderhoudt contact met zijn broer Ernest. Een gedeelte uit de brief van 16 maart laten we hieronder volgen:

“ Hier in Holland ben ik zeer wel. Men is zo vriendelijk en gedienstig voor mij. We krijgen veel ontspanning en maken wandelingen en zien vaak eekhoorntjes. Het zijn bijzonder schone [mooie] beestjes, bruin of zwart. Het is niet gemakkelijk zulk een beestje te pakken. Zij zitten in nesten juist lijk [net zoals] de kraaien. Zij zitten altijd in sparren en eten sparappels en alles wat men hen voorwerpt. Ze hebben juist manieren als de apen: zij nemen hun voedsel tussen hun voorste poten en zitten dan daar met hun schone pluimstaart tot aan hun kop over de rug geplooid, te peuzelen. In één, twee, drie hebben zij een okkernoot doorgeknaagd met hun twee scherpe konijnentandjes.
Ernest, ik ga nu uitscheiden met schrijven.”

Victor Clarysse te midden van zijn familie.

Victor Clarysse was niet de enige Belgische kloosterling die in Molenhoek aanwezig was. In een brief van de Commissaris van de Koningin in de provincie Limburg van 4 januari 1916 gericht aan de burgemeester van Mook lezen we onder andere dat er op 1 januari 1916 in het klooster van de paters Passionisten in Molenhoek 25 Belgische vluchtelingen aanwezig zijn die voor de Rijksondersteuning van 20 cent per dag per persoon in aanmerking kunnen komen.
“Aangezien u meldt dat er mensen zijn teruggekeerd, gaan we er van uit dat de vijf nieuw aangekomenen dus niet door de oorlogstoestand gedwongen zijn hun land te verlaten en dus ook niet in aanmerking komen voor een ondersteuning.”

Gevluchte Belgische Passionisten.

Uitbreiding van het klooster.
In augustus 1924 werden bestek en voorwaarden aan de gemeente aangeboden waarnaar door de architect ingenieur W.A. Molengraaff (pater Everardus) te Ginneken zal worden aanbesteed voor rekening van de zeereerwaarde paters Passionisten onder r.k. aannemers: de aanbouw van een nieuw gedeelte aan het bestaande klooster te Mook [Molenhoek], benevens de bouw van een nieuwe kapel met onder- en bovenkapel [de huidige sacristie].
Deze nieuwbouw moet voor of op 15 februari 1925 opgeleverd worden.

In 1932 schreef Fr. Gabriël CP in Genkenboek ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan:

“Toen in 1907 in de eenzaamheid der Mookerheide een bescheiden klooster werd opgetrokken, het enige der Passionisten in Nederland, had niemand durven dromen, dat die stichting over 25 jaren zou zijn uitgegroeid tot een ruim klooster-Moederhuis ener zelfstandige provincie.
Wat men toen niet kon vermoeden, mogen wij thans blijde constateren: dat die stichting niet alleen de definitieve vestiging der Passionisten Congregatie in ons Vaderland was, maar ook de kiem, waaruit de Hollandse provincie is opgebloeid.
Met vreugde en dankbaarheid gedenken wij heden de weldaden die wij in die 25 jaren van de hemel ontvangen hebben.

Onze dankbaarheid gaat ook uit naar hem, die wij de stichter noemen van dit huis, de Zeer Eerwaarde P. Clemens, die niettegenstaande bijna onoverkomelijke moeilijkheden, het werk tot stand bracht, hem door de Oversten opgedragen
En naar de eerste bewoners ervan, de arbeiders van het eerste uur, die de hitte van de dag gedragen hebben. Want wanneer wij de kronieken van dit klooster openslaan, spreken de eerste bladzijden ons van zware opofferingen, ontberingen en moeilijkheden.
Het vijfentwintig jaar bestaan van deze afzondering, stemt ons verder tot groot vertrouwen op God, die met deze bloei Zijn bijzondere plannen schijnt te hebben – op Maria, die ons ook verder hare goedheid en macht zal doen gevoelen.”

Bovenkapel voor de paters

In het voorjaar van 1943 werd in het bidkoor van de kloosterlingen een muurschildering aangebracht [Daan Wildschut dateerde zelf dit werk als gemaakt zijnde in 1942 i.v.m. de Kultuurkamer waarvan hij geen lid wilde worden].

In mei 1943 plaatste hij daar ook een glasraam voorstellende de Hemelvaart van Christus. Hij schreef zelf over zijn werken in Molenhoek onder andere: “Wandschildering in kloosterkapel paters Passionisten in Keimse mineraalverf [verf op basis van waterglas; hierdoor ontstaan heldere frisse kleuren en vooral het heldere blauw en rood vallen onmiddellijk op]. Het is mijn eerste grote wandschildering. Op de voorgrond de H. Paulus van het Kruis, stichter van de orde en op de achtergrond is het Noord Limburgse Maaslandschap geschilderd. De twee glasramen: een hemelvaart van Christus en een geboorteraam.”

Op 27 november 1931 kwam de beslissing dat de kapel van de Passionisten beperkt openbaar werd: er mocht één heilige Mis gelezen worden, namelijk de vroegmis zodat men voor de hoogmis naar de eigen parochiekerken kon gaan.

In Passionistennieuws lezen we:
“Op 24 november 1932 werd het vijf en twintig jarig bestaan van het klooster Mater Dolorosa gevierd. Men had zo half en half gehoopt, dat Mgr. Lemmens bij deze gelegenheid de volledige openstelling van de kapel zou verlenen als feestgeschenk, maar hij stond alleen toe dat de mensen bij wijze van gunst de plechtig gezongen hoogmis van dankzegging mochten bijwonen. Er waren nóg enkele schaduwen over feest. De stichter van het klooster, pater Clemens Fleischeuer, was wegens ziekte niet aanwezig en de geestelijken uit de buurt lieten zich niet zien.
Tegen half twee in de middag liet echter de pastoor van Mook zich aandienen. In zijn toespraak gaf hij onder andere te kennen dat hij in opdracht van de bisschop aan de paters mee kon delen dat van nu af aan de kapel zonder enig voorbehoud geopend was.”
Snel verspreidde zich het goede nieuws over heel Molenhoek. Een dag later wapperden overal de vlaggen en de rector zei in zijn feestpredikatie onder andere: “Als leeuwen hebt ge gestreden om in de kerk te komen, toont nu door veel naar de kerk te komen dat ge niet gestreden hebt uit gemakzucht.”

Onderbezetting
De priesterstudenten gingen op een gegeven moment in de zestiger jaren studeren in Nijmegen. De fraters reden met de fiets daar naar toe en het was vaak een groep van zo’n 20 à 30 studenten, gekleed in hun zwarte togen. Het leek dan net alsof er “een zwarte wolk voorbij kwam”.
Na het Tweede Vaticaanse Concilie kwamen de meer behoudende en de wat vooruitstrevende groepen scherper tegenover elkaar te staan. Er vonden veel uittredingen plaats en vele fraters studenten besloten na hun tijdelijke geloften geen nieuwe binding meer aan te gaan. Dit veroorzaakte totale onderbezetting van de kloosters.

Voor het klooster Mater Dolorosa in Molenhoek vonden onderhandelingen plaats met de gemeente en die resulteerden in verkoop. Een gedeelte van de grond werd buiten het koopcontract gehouden voor een eventueel nieuw te bouwen kleiner klooster voor een kleine groep Passionisten en eventueel Passionistinnen. Er werd een commissie ingesteld die moest onderzoeken of er nog een leefbare groep kon blijven bestaan. De conclusie van dit onderzoek was dat het beter was de groep op te heffen. Met ingang van 1 januari 1972 hadden de meeste bewoners het klooster verlaten.
In 1974 richtte de toenmalige provinciaal Cor Spruit aan het bisdom Roermond alsook aan de Generaal te Rome het verzoek het klooster op te heffen. In mei 1974 kwam de toestemming van het bisdom en op 13 augustus 1974 volgde ook het fiat van de Generaal.

Laatste bewoner
Pater Richard Celie was de allerlaatste bewoner van dit immense klooster. Op 1 april 1974 verliet ook hij deze plaats en vestigde zich in Gennep waar hij als ‘kapelaan van de hei’ aan de slag ging. Hij was graag, net zoals zijn mede-Passionist Arie van Dam, pastoor geworden van de parochie Molenhoek.

De Gelderlander, 12 juni 1975
Klooster tegen de wereld
“Afgelopen zaterdag zijn drie aannemers, in opdracht van het Mookse gemeentebestuur, begonnen met de afbraak van het klooster aan de Stationsstraat in Molenhoek.”

De open wand aan de huidige sacristie werd dichtgemaakt.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *