Stationschef Stuart

Frans Stuart werkte bij het spoor in Bosch en Duin, maar na zijn huwelijk met Gerrie Thijsse Klasen verhuisde het echtpaar naar Molenhoek. Na aanvankelijk enkele jaren vooraan in de Stationsstraat gewoond te hebben naast familie Van Aernsbergen, verhuisde het gezin naar een huis dichter bij het station, naar A 207a (nu Stationsstraat 73). Op het station zelf woonden toen Sjaak en Anna Wolters.

Stationsstraat A207a.

Frans Stuart, geboren te Wijchen op 13 maart 1903 en overleden op 25 januari 1983. Beroep stationschef. Hij trouwde met Gerrie Thijsse Klasen. Zij werd geboren te Gorsel op 5 oktober 1904 en overleed op 25 juni 1984. Kinderen van dit echtpaar:

  1. Frans, geboren op 21 oktober 1935.
  2. Ria, geboren op 19 februari 1937.
  3. Willie, geboren op 25 februari 1939.
  4. Annet, geboren op 6 december 1941.
  5. Rob, geboren op 6 november 1947.
  6. Toine, geboren op 14 januari 1949.

“Vader zat op het kantoor en was aan het seinen en telefoneren als ik daar aan het spelen was”, aldus Wil Stuart. “Soms moest hij naar buiten om de spoorbomen dicht te draaien of om een wissel om te zetten.”

Per 15 mei 1938 werd station Mook-Middelaar voor personenvervoer gesloten. Men kon toen niet voorzien dat het slechts voor een korte periode zou zijn want op 10 mei 1940 omstreeks half vijf in de ochtend vloog de spoorbrug over de Maas de lucht in. Vanaf half juni kwamen de treinen vanuit Nijmegen bij het station Mook-Middelaar aan. De passagiers moesten vervolgens overstappen in bussen en werden dan via de pont naar Cuijk vervoerd en vandaar ging het met de trein verder.

Stationschef Frans Stuart voor het station Mook Middelaar.

“Ik (Wil Stuart) heb er zo’n tien jaar gewoond en ik had daar een paradijselijke jeugd. Er stonden nog maar weinig huizen in de Molenhoek, dus er was volop speelterrein. Zover we konden kijken zag je korenvelden en aan de andere kant van de straat weiland, heggen en het klooster en de kerk.

Op de Stationsstraat. Moeder Stuart met Willie op haar arm, het meisje met strik is Ria en op het fietsje zit Frans.

Verder dan kruidenier Lelieveld kwamen we eigenlijk niet want we speelden voor het huis of in de bossen en naar school liep je via de Lindenlaan. We kwamen ook wel eens bij de wasserij van Oldenhof. Dat was een enorm hoog gebouw en je rook altijd de geur van zeepsop. In grote tonnen werd de was gedaan en buiten zag je stoom uit pijpen komen en in het slootje stroomde sop.

Een groot deel van mijn tijd in Molenhoek wordt beheerst door de Tweede Wereldoorlog. Van de Duitsers merkten we weinig alleen kwamen er altijd zingende mannen langs die van het arbeiderskamp kwamen of er naar terugkeerden. Vader moest ’s nachts wel eens weg en dat vonden we heel eng. Wat hij moest gaan doen, heb ik nooit begrepen en daar werd ook niet over gesproken. Mijn vader had tabakstelers onder zijn voorouders en dat kwam hem tijdens de oorlog goed van pas. Achter het huis hadden we een veldje met tabaksplanten. Na het plukken hingen ze op zolder te drogen. Wat vonden mijn vader en ik het erg dat op zekere dag een Amerikaanse tank het veldje plat reed. Ook hadden we enkele kooien met konijnen en een moestuintje. Dus honger hebben we nooit gehad.

We gingen lopend naar de kleuterschool bij de Franciscanessen in Mook. Het was toch zeker een half uurtje lopen. Toen op zekere dag bij het viaduct geschoten werd, hoefden wij van vader niet meer naar school. De bevrijding was in aantocht. Het werd erg druk in Molenhoek. Veel soldaten, jeeps en tanks en je vond het eigenlijk al gauw de gewoonste zaak van de wereld. Ook zaten bij ons thuis op een gegeven moment drie Canadezen ingekwartierd. We waren iedere avond weer blij als ze ‘thuiskwamen’. In de kelder stond een teil met snoep en van de drie Canadezen Jo, Keo en Dave kregen we een knuffelbeest. Wat wil je als kind nog meer?
In onze bijkeuken stonden allerlei  kooktoestellen van de Engelsen en daar kwamen de soldaten eten halen. Tussen ons en de wasserij van Oldenhof lag een militair begraven; wij zorgden voor dat graf en legden er bloemen op en vonden dat heel normaal. Vrij snel na de bevrijding kwam een Engelse dame aan de deur die het graf van haar zoon wilde bezoeken. Wat er met dat graf gebeurd is, kan ik me niet meer herinneren. Verder zie ik nog aan de overkant van de weg Duitse krijgsgevangenen staan. Moeder zei dan tegen ons: ga eens gauw wat brood brengen want die lui hebben honger.

Schoolfoto met juffrouw Geutjes.

Na de bevrijding moesten we toch langzaamaan weer naar school. Enkele klassen waren overeind gebleven, ze hadden de gevechten overleefd. We gingen met een groepje dat onderweg aangroeide. Kinderen van de families Moors en Beers liepen ook altijd mee.
Mijn Eerste Communie heb ik op 30 mei 1946 gedaan in een jurkje van Amerikaanse ruitjes zijde, gemaakt door mevrouw Duif. Het was stof van een parachute, maar geen gewone en er had ook geen militair aan gehangen.”
Vanaf het huis van de familie Stuart keek men over de velden tot voorbij de huidige Singel.

Zittend Peter Fest. Staand v.l.n.r.: Willie, Frans, Annet en Ria Stuart.

In 1948 wordt Frans Stuart overgeplaatst naar Nijmegen en verhuist het gezin naar Nijmegen naar de Acaciastraat. Zij hadden hun woning geruild met F. van Gorp, arbeider in de wasserij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *